uitdoen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·doen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitdoen |
deed uit |
uitgedaan |
| onregelmatig | volledig | |
Werkwoord
uitdoen
- (overgankelijk) uitschakelen
- Hij deed het licht uit.
- (overgankelijk) kleding afleggen
- De stripper deed tergend langzaam haar bloesje uit.
Typische woordcombinaties
- een kaars uitdoen
- kleren uitdoen
Vertalingen
1. uitschakelen