uitstaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·staan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitstaan
stond uit
uitgestaan
klasse 6 volledig

Werkwoord

uitstaan

  1. nog niet geïnd of ingevorderd
    Dat bedrag stond nog uit, maar het is nu binnen.
  2. iemand/iets niet kunnen ~: een grote hekel aan iemand/iets hebben
    Ik kan haar echt niet uitstaan!
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen