uitzicht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·zicht
enkelvoud meervoud
naamwoord uitzicht uitzichten
verkleinwoord (uitzichtje) (uitzichtjes)

Zelfstandig naamwoord

uitzicht o

  1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
    Vanaf deze toren heeft men een prachtig uitzicht op het natuurgebied.
  2. verwachting, iets waar men naar kan uitzien
    Gelukkig heeft hij uitzicht op een betere baan.
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen