uitblinken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·blin·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitblinken
blonk uit
uitgeblonken
klasse 3 volledig

Werkwoord

uitblinken

  1. (inergatief) ~ in uitzonderljk goed presteren
    Hij blonk vooral uit in wiskunde.