uitblinken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·blin·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitblinken |
blonk uit |
uitgeblonken |
| klasse 3 | volledig | |
Werkwoord
uitblinken
- (inergatief) ~ in uitzonderljk goed presteren
- Hij blonk vooral uit in wiskunde.