uitgeven
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- uit·ge·ven
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| uitgeven | uitgevend |
| uitgave | |
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitgeven |
gaf uit |
uitgegeven |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
uitgeven
- (overgankelijk) geld ~: financiële middelen aanspreken
- Ik heb toch niet zo veel geld uitgegeven.
- (overgankelijk) een geschrift in drukvorm verspreiden
- Dit boek is al in 1934 uitgegeven.
Vertalingen
1. financiële middelen aanspreken