uitbreiden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·brei·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitbreiden
breidde uit
uitgebreid
zwak -d volledig

Werkwoord

uitbreiden

  1. (overgankelijk) iets een groter oppervlak laten innemen
    Verder kunnen kinderen hun woordenschat uitbreiden door liedjes, rijmpjes en versjes.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen