uitsteken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- uit·ste·ken
Werkwoord
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| uitsteken |
stak uit |
uitgestoken |
| klasse 4 | volledig | |
uitsteken
- in grootte de rest voorbijstreven
- Die boom steekt boven de andere uit.
- met een scherp voorwerp stekend verwijderen
- Men stak hem de ogen uit.
- uitstrekken, bijvoorbeeld van een ledemaat
- Als je links afslaat moet je je hand uitsteken.
Vertalingen
1. in grootte de rest voorbijstreven
2. in grootte de rest voorbijstreven
3. uitstrekken, bijvoorbeeld van een ledemaat