leven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·ven
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
leven
leefde
geleefd
zwak -d volledig

Werkwoord

leven

  1. het doormaken van het leven
    • Zij leven al drie jaar langer dan verwacht met die ziekte. 
    • Wij zullen lang leven! 
Hyponiemen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord leven levens
verkleinwoord leventje leventjes

Zelfstandig naamwoord

leven o

  1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
    • Het leven op aarde moet er tijdens de ijstijd heel anders uitgezien hebben dan nu. 
  2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
    • Die schrijver heeft gedurende zijn leven heel wat werken geschreven die ook vandaag nog veel gelezen worden. 
  3. activiteit en drukte
    • Hij vroeg zich af wat dit alles te betekenen had. Anders was zo'n grote stad toch altijd vol leven?[1] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 94


Cornisch

Bijvoeglijk naamwoord

leven

  1. glad