leven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·ven
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘niet dood zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1] [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
leven
leefde
geleefd
zwak -d volledig

Werkwoord

leven [4]

  1. het doormaken van het leven
    • Zij leven al drie jaar langer dan verwacht met die ziekte. 
    • Wij zullen lang leven! 
Hyponiemen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord leven levens
verkleinwoord leventje leventjes

Zelfstandig naamwoord

leven o [5]

  1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
    • Het leven op aarde moet er tijdens de ijstijd heel anders uitgezien hebben dan nu. 
  2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
    • Die schrijver heeft gedurende zijn leven heel wat werken geschreven die ook vandaag nog veel gelezen worden. 
  3. activiteit en drukte
    • Hij vroeg zich af wat dit alles te betekenen had. Anders was zo'n grote stad toch altijd vol leven?[6] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Cornisch

Bijvoeglijk naamwoord

leven

  1. glad