verblijven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·blij·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verblijven
verbleef
verbleven
klasse 1 volledig

Werkwoord

verblijven

  1. inergatief tijdelijk wonen, ergens tijd doorbrengen
    • Hij verbleef enige tijd in een gerenommeerd hotel in het centrum van de stad. 
    • Dit is een gebouw waar soms illegaal verbleven wordt. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

verblijven mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord verblijf

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.