levensruimte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·vens·ruim·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord levensruimte levensruimten
levensruimtes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

levensruimte v [1]

  1. zekere minimum hoeveelheid ruimte die elk dier nodig heeft om te kunnen leven
  2. gebied dat een volk nodig heeft of denkt te hebben dan wel zich toe-eigent
    • Hitler vond dat het Duitse volk meer levensruimte nodig had 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen