levensecht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·vens·echt
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen levensecht levensechter levensechtst
verbogen levensechte levensechtere levensechtste
partitief levensechts levensechters -

Bijvoeglijk naamwoord

levensecht

  1. fictief, maar de indruk wekkend uit de realiteit te stammen
    • In zijn tweede boek zijn de personages een stuk levensechter geworden. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie