levensecht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·vens·echt
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen levensecht levensechter levensechtst
verbogen levensechte levensechtere levensechtste
partitief levensechts levensechters -

Bijvoeglijk naamwoord

levensecht

  1. heel erg behorend tot de werkelijkheid
    • Vandaag keek hij vanzelfsprekend niet meer zo tegen de dingen aan. Hij wist dat de oorlog niets anders was dan een reusachtige loterij met levensechte kogels, waarin vier jaar overleven aan het wonderbaarlijke grensde. [1] 
  2. fictief, maar de indruk wekkend uit de realiteit te stammen
    • In zijn tweede boek zijn de personages een stuk levensechter geworden. 
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 18