zakenleven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·ken·le·ven
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zakenleven -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zakenleven o

  1. de groep mensen die zich met zakendoen bezighoudt en hun activiteiten
    • Hij stortte zich aanvankelijk met veel succes op het zakenleven. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.