levenswijs
Uiterlijk
- Geluid: levenswijs (hulp, bestand)
- IPA: / ˈlevə(n)sˌwɛis / (3 lettergrepen)
- le·vens·wijs
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | levenswijs | levenswijzen |
| verkleinwoord | levenswijsje | levenswijsjes |
- de manier waarop iemand zijn/haar leven leeft, levenswijze
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | levenswijs | levenswijzer | levenswijst |
| verbogen | levenswijze | levenswijzere | levenswijste |
| partitief | levenswijs | levenswijzers | - |
levenswijs
- met het bezit van wijsheid over het leven
- Het woord levenswijs staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 10
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Invoegsel -s- in het Nederlands
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal