herleven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·le·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
herleven
herleefde
herleefd
zwak -d volledig

Werkwoord

herleven

  1. (ergatief) opnieuw tot leven komen, opnieuw opbloeien
    De hele natuur herleefde toen er eindelijk weer regen gevallen was.
    herleven bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl