nachtleven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nacht·le·ven
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nachtleven
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nachtleven o

  1. de wereld van het uitgaan dat meestal 's-nachts plaatsvindt in cafés en nachtclubs.
    • De jonge vakantiegangers leefden zich helemaal uit in het nachtleven van Amsterdam. 
    • Door het nachtleven is het op de spoedpost van het ziekenhuis ook midden in de nacht heel druk. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be