beleven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·le·ven
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van leven met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beleven
beleefde
beleefd
zwak -d volledig

Werkwoord

beleven

  1. overgankelijk meemaken, ondervinden, ervaren
    • Hij heeft het avontuur samen met zijn beste vriend beleefd. 
    • Er viel in het museum veel te beleven. 
     In onze tijd bestaat er een toenemende belangstelling, zowel voor de folklore als voor de achtergrond en de inhoud van de feesten. Temeer als die beleefd kunnen worden door het hele gezin en de hele groep, jong of oud.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), p. 7