beleven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·le·ven
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van leven met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beleven
beleefde
beleefd
zwak -d volledig

Werkwoord

beleven

  1. (overgankelijk) meemaken, ondervinden, ervaren
    Hij heeft het avontuur samen met zijn beste vriend beleefd.
    Er viel in het museum veel te beleven.
Vertalingen

Meer informatie