inleven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·le·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inleven
leefde in
ingeleefd
zwak -d volledig

Werkwoord

inleven

  1. (wederkerend) zich geheel en al met zijn gedachten in iets verplaatsen
    Hij had zich volledig in die rol ingeleefd.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.