samenleven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·men·le·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
samenleven
leefde samen
samengeleefd
zwak -d volledig

Werkwoord

samenleven

  1. In één huis wonen zonder getrouwd te zijn, hokken, samenhokken, samenwonen
    • De twee mannen leefden samen, ze hadden geen behoefte om te trouwen. 
  2. in één land, regio of stad wonen
    • Met 17 miljoen mensen vreedzaam samenleven in een klein land is een hele kunst. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.