levenslust

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·vens·lust
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord levenslust -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

levenslust m

  1. zin in het leven
  2. goed gezind zijn
  3. een goed humeur hebben
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.