wonen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wo·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gehuisvest zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wonen
woonde
gewoond
zwak -d volledig

Werkwoord

wonen

  1. inergatief een permanente behuizing hebben
    • In ons werkgebied wonen ongeveer 200.000 mensen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • In een glazen huis wonen
een persoon wier handelen veel kritiek kan krijgen omdat deze openbaar te volgen is
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen