levenslot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·vens·lot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord levenslot
verkleinwoord levenslotje levenslotjes

Zelfstandig naamwoord

levenslot o [1]

  1. zaken die de loop van je leven in een belangrijke maten bepalen of bepaald hebben, maar waarop je geen invloed hebt; alles wat je overkomt en waarvan sommigen denken dat het van hogerhand vooraf en met een bedoeling bepaald is
    • Aan het levenslot van Walter Benjamin is af te lezen hoe enorm het verlies aan Europa’s geestelijke rijkdom dat het nationaalsocialisme van Adolf Hitler en de zijnen veroorzaakte, is geweest. [2] 
    • Ze verloor al eens man en twee zoons op het woeste water. Nu stuurt ze ook haar twee laatste kinderen de dood in. Het heeft iets van een Griekse tragedie: Kniertje zit gevangen in haar levenslot en is niet in staat daaruit te ontsnappen. [3] 
    • ,,Voila, ik denk dat mijn stijl aanspreekt. Maar voor een deel is het destiny; mijn levenslot. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen