dorpsleven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dorps·le·ven
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dorpsleven
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dorpsleven o [1]

  1. het bestaan en de activiteiten in een dorp
     Uit eigen zak heeft hij een museum over het dorpsleven ingericht.[2]
     Ondanks het verdwijnen van voorzieningen, zoals de laatste school, het café of de supermarkt, vinden veel inwoners dat het eerder de goede dan de verkeerde kant op gaat met de leefbaarheid. Dat blijkt uit het onderzoek Dorpsleven tussen stad en land van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) waarin diverse dorpstypes met elkaar zijn vergeleken (.pdf).[3]
Antoniemen
Verwante begrippen


Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Michel Krielaars op Wikipedia “Het brilletje van Tsjechov : reizen door Rusland” (2014), Atlas Contact op Wikipedia, ISBN 9789045024875
  3. Bronlink geraadpleegd op 19 april 2022 Weblink bron “Het gaat zo slecht niet met dorpen in krimpregio's” (30-03-2017), NOS