overleven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·le·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overleven
overleefde
overleefd
zwak -d volledig

Werkwoord

overleven

  1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
    • Vandaag keek hij vanzelfsprekend niet meer zo tegen de dingen aan. Hij wist dat de oorlog niets anders was dan een reusachtige loterij met levensechte kogels, waarin vier jaar overleven aan het wonderbaarlijke grensde. [1] 
    • De Britse wetenschapper en ’s werelds slimste man Stephen Hawking waarschuwt dat de mensheid binnen de honderd jaar de planeet moet verlaten om te kunnen overleven. [2] 
  2. een hogere leeftijd bereiken dan
    • Willem overleefde zijn vader. 
  3. voortleven na iemand anders overlijden
    • De vader overleeft zijn kind. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 18
  2. www.nieuwsblad.be