overleven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·le·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overleven
overleefde
overleefd
zwak -d volledig

Werkwoord

overleven

  1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
    • Hij overleefde dat verschrikkelijke ongeval maar op het nippertje. 
    • De Britse wetenschapper en ’s werelds slimste man Stephen Hawking waarschuwt dat de mensheid binnen de honderd jaar de planeet moet verlaten om te kunnen overleven. [1] 
  2. een hogere leeftijd bereiken dan
    • Willem overleefde zijn vader. 
  3. voortleven na iemand anders overlijden
    • De vader overleeft zijn kind. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. www.nieuwsblad.be