levensgevaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·vens·ge·vaar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord levensgevaar levensgevaren
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

levensgevaar o

  1. omstandigheden die dreigen de dood ten gevolge te hebben
    • Na dat ongeluk verkeerde hij enige tijd in levensgevaar. 
     Bij het ongeluk waardoor gisteravond twee militairen zwaargewond raakten op vliegbasis Leeuwarden, was een vorkheftruck betrokken. Het ongeluk gebeurde op een feest van een squadron van de luchtmacht. Ze zijn vannacht geopereerd en buiten levensgevaar, zegt een woordvoerder van de marechaussee.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 26 april 2022 Weblink bron “Ongeluk op vliegbasis Leeuwarden was met heftruck op feest” (26 april 2022), NOS
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be