bij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

honingbij
Uitspraak
Woordafbreking
  • bij
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: bie
Oudnederlands: bīa
Germaans: *bīōn
Indo-Europees: *bʱi-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: bee (Angelsaksisch: bēo), Duits: Beie, Biene, (Oudhoogduits: bîa), Fries: bij [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bij bijen
verkleinwoord bijtje bijtjes

Zelfstandig naamwoord

bij v/m

  1. (insecten) Apis mellifica, een benaming voor diverse insecten, in het bijzonder de honingbij
    • Bijen zijn heel nuttige dieren voor de landbouwers en de fruittelers. 
    • De wilde bij is van enorm belang, zo bespaart de 'gratis arbeider' de mensheid jaarlijks miljarden euro's. Toch weten we relatief weinig van de hardwerkende insecten. Onderzoekers willen hier verandering in brengen met de eerste Nationale Bijentelling dit weekend, waarbij iedereen wordt gevraagd om in de tuin of op het balkon het aantal bijen te turven. [2] 
  1. een bezige bij: iemand die heel ijverig is
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De bezige bij.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Bijwoord

  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     bij  
 persoonlijk     erbij  
aanwijz.   nabij     hierbij  
  veraf     daarbij  
  vragend/betrekk.     waarbij  

bij

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
  2. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
    • erbij: hij heeft er weinig bij op te merken. 
  3. op het actuele punt, op gelijke hoogte
    • Jan was weer bij met de rest van de klas. 
  4. met bewustzijn (met als antoniem bewusteloos)
    • Na een lange tijd kwam de dronken man weer een beetje bij. 
Woordherkomst en -opbouw
  • Als voorzetsel voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [3] [4]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: bi
Oudnederlands: bī
Germaans: *bi
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: by (Angelsaksisch: bī), Duits: bei, (Oudhoogduits: bi), Fries: by (Oudfries: bi, be)
Oost: Gotisch: bi

Voorzetsel

bij

  1. in de buurt van (meestal in een ondergeschikte positie)
    • De boom staat bij het huis. 
  2. op de plaats behorende tot
    • De vereniging vergaderde bij de heer De Vries. 
  3. tijdens, gedurende
    • bij leven was hij smid. 
  4. op het moment van
    • bij het horen van deze woorden. 
  5. in de omstandigheid van
    • bij nacht en ontij. 
  6. in geval van
    • bij onvoldoende aanmeldingen wordt de bijeenkomst afgezegd. 
  7. door, als gevolg van
    • bij toeval. 
  8. in toestand van
    • bij zinnen. 
    • bij volle verstand. 
  9. ergens aan toevoegen
    • Doe er maar wat extra zou bij. 
    • Hij kwam ook bij de club. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Verwijzingen