bijtje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • [1] bij·tje
  • [2] bijt·je

Zelfstandig naamwoord

bijtje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord bij
  2. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord bijt

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be