nabij

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·bij
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nabij nabijer nabijst
verbogen nabije nabijere nabijste
partitief nabijs nabijers -

Bijvoeglijk naamwoord

nabij

  1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
    Het nabije heelal is onderwerp van deze studie.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

nabij

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    nabijkomen: Dat kwam de honderdduizend nabij.
  2. dichtbij, direct in de buurt
    Ik ken hem al jaren van nabij.[2]
Afgeleide begrippen

Voorzetsel

nabij

  1. in de onmiddellijke omgeving van
    Het museum is nabij de kerk gelegen.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Kom, A. de ""De zaak M." in: Hollands Maandblad. jrg. 51 nr. 741/742 (augustus/september 2009) Stichting Hollands Maandblad/Nieuw Amsterdam Uitgevers, Amsterdam; p. 58; geraadpleegd 2015-08-01