nabij

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·bij
stellend
onverbogen nabij
verbogen nabije

Bijvoeglijk naamwoord

nabij

  1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
    Het nabije heelal is onderwerp van deze studie.
Vertalingen

Bijwoord

nabij

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    nabijkomen: Dat kwam de honderdduizend nabij.
  2. dichtbij, direct in de buurt
    Ik ken hem al jaren van nabij.[1]
Afgeleide begrippen

Voorzetsel

nabij

  1. in de onmiddellijke omgeving van
    Het museum is nabij de kerk gelegen.
Verwijzingen
  1. Kom, A. de ""De zaak M." in: Hollands Maandblad. jrg. 51 nr. 741/742 (augustus/september 2009) Stichting Hollands Maandblad/Nieuw Amsterdam Uitgevers, Amsterdam; p. 58; geraadpleegd 2015-08-01