bijzijn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·zijn
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bijzijn -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bijzijn o

  1. in het ~: in aanwezigheid van iemand
    • In het bijzijn van vrijwel alle ouders zongen de kinderen van het kinderkoor een kerstlied op het toneel. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie