bijbrengen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bijbrengen
bracht bij
bijgebracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

bijbrengen

  1. overgankelijk, (medisch) iemand ~: weer bij bewustzijn brengen
    • Met wat extra zuurstof was hij snel weer bijgebracht. 
  2. overgankelijk iemand iets ~: zorgen dat iemand iets leert
    • Als het zo'n chaos is in de klas, is het nauwelijks mogelijk de leerlingen zoiets als wiskunde bij te brengen. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.