bijleg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·leg

Werkwoord

vervoeging van
bijleggen

bijleg

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bijleggen
    • ... dat ik bijleg. 

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be