bi

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Bi

Universeel

Symbool

bi

  1. (toponiem: land) Burundi


Nederlands

1. vlag die biseksualiteit symboliseert
Uitspraak
Woordafbreking
  • bi
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen bi
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

bi

  1. (lhbt) zowel met mannen als vrouwen seksueel actief
    • Ze zijn rolmodellen om hun activisme of simpelweg om hun bereidheid openlijk lesbisch of bi te zijn. [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bi bi's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bi m

  1. (lhbt) iemand die zowel met mannen als vrouwen seksueel actief is
    • op vakantie in Thailand werd duidelijk dat hij geen homo, maar een bi was. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Baskisch

Telwoord (eus)
1 11 10
2 12 20
3 13
4 14
5 15
6 16
7 17
8 18
9 19

Hoofdtelwoord

bi

  1. twee


Deens

Woordafbreking
  • bi

Zelfstandig naamwoord

bi g

  1. (insecten) bij
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bi     bien     bier     bierne  
genitief   bis     biens     biers     biernes  


Schots-Gaelisch

Gebiedende wijs Naamwoord
bi bith v
Onafhankelijk Afhankelijk  
Tegenwoordige tijd tha a bheil / chan eil
Verleden tijd bha robh
Toekomende tijd bidh am bi/ cha bhi 
Voorwaardelijk bhiodh biodh
1e pers enk. bhithinn bithinn
1e pers mv. bhiomaid biomaid

Werkwoord

bi

  1. zijn, wezen
    «An robh an cù ann? Bha! »
    Was de hond er? Ja!
  2. hulpwerkwoord van de tegenwoordige tijd, gebruikt voor een tegenwoordig deelwoord = a(g) + naamwoord van handeling
    « Tha mi ag obair.»
    Ik werk. Ik ben aan het werk.

Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi

Zelfstandig naamwoord

bi o

  1. (insecten) bij
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bi     bit/biet     bin     bina  
genitief   bis     bits/biets     bins     binas