bijsmaak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·smaak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bijsmaak bijsmaken
verkleinwoord bijsmaakje bijsmaakjes

Zelfstandig naamwoord

bijsmaak m

  1. een extra smaak die er eigenlijk niet bij hoort
    • De wijn had een zure bijsmaak. 
  2. (figuurlijk) een minder aangename meewerkende factor
    • Kritiek met een bijsmaak van leedvermaak. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.