bijwonen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·wo·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van wonen met het voorvoegsel bij-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bijwonen
woonde bij
bijgewoond
zwak -d volledig

Werkwoord

bijwonen

  1. (overgankelijk) opzettelijk aanwezig zijn bij iets
    Hij woonde de presentatie van de professor bij.
Vertalingen