moment

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·ment
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ogenblik’ voor het eerst aangetroffen in 1485 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord moment momenten
verkleinwoord momentje momentjes

Zelfstandig naamwoord

moment o

  1. zeer korte tijd
  2. punt in de tijd
     Alsof hij zich verantwoordelijk voelde voor de hele schepping, verontschuldigde hij zich voor de argwaan in de moderne wereld, die hem ertoe verplichtte bepaalde formaliteiten in acht te nemen, maar hij verzekerde mij dat we daar later nog een geschikt moment voor konden vinden, wanneer ik zou zijn uitgerust van mijn verplaatsing.[3]
  3. (natuurkunde) een vector die gelijk is aan het product van de kracht en de arm
    • Het moment uitgeoefend door de zwaartekracht. 
Synoniemen
Typische woordcombinaties
  1.  Want ik was niet naar Grand Hotel Europa gekomen om de tijd weemoedig te laten verglijden te midden van afgebladderde luxe en krakende glorie in passieve afwachting van een of ander inzicht, dat mij op een gegeven moment zou toevallen als een bloemblad uit een vergeeld boeket. Dat inzicht wilde ik afdwingen en daarom moest ik aan het werk.[4]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • op een bepaald moment
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

moment

  1. moment