dar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Geboorte van een dar
Uitspraak
Woordafbreking
  • dar
enkelvoud meervoud
naamwoord dar darren
verkleinwoord darretje darretjes

Zelfstandig naamwoord

dar m

  1. (insecten), (imkerij) mannelijke bij
    Een dar heeft een kort leven.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders
75 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Catalaans

stamtijd
tegenw.
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dava dat
1e vervoeging volledig onregelmatig

Werkwoord

dar

  1. (verouderd) geven
Synoniemen


Koerdisch

Zelfstandig naamwoord

dar v

  1. boom


Portugees

Werkwoord

dar

  1. geven


Roemeens

Woordafbreking
  • dar

Zelfstandig naamwoord

dar o

  1. gift, cadeau.

Voegwoord

dar

  1. maar


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • dar

Werkwoord

dar

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dar
daba
dado
volledig
  1. (onovergankelijk) geven, verlenen
  2. in werking zetten, doen functioneren
  3. (~ a) uitzien op, uitkijken op
  4. (overgankelijk) geven, overhandigen, aanreiken
  5. geven, overhandigen, aanreiken
  6. opleveren, produceren
  7. toedienen
Synoniemen
Verwijzingen


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • dar
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Protoslavische *darъ

Zelfstandig naamwoord

dar m onbezield

  1. gift, geschenk
Verbuiging
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
Verwante begrippen

Meer informatie

Verwijzingen