door

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: dore
Oudnederlands: thuro
Germaans: *þurh
Indo-Europees: *tr-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: through (Angelsaksisch: thuru), Duits: durch, (Oudhoogduits: duruh), Fries: troch (Oudfries: thur, thore)

Voorzetsel

door

  1. de handelende persoon bij een lijdende vorm
    • Het afval wordt wekelijks door vuilnismannen opgehaald. 
    • Dit huis is door mijn vader gebouwd. 
  2. de oorzaak
    • In de herfst heeft de trein vaak vertraging door gladheid van het spoor. 
  3. in
    • We liepen uren door het park. 
  4. tijdens, gedurende
    • Het is hier in het weekend veel drukker dan door de week. 
  5. doorheen, binnenin van de ene kant naar de andere kant
    • Het water stroomt door de leiding. 
  6. doorheen, aan de ene kant naar binnen en aan de andere kant naar buiten
    • Het valt niet mee de draad door het oog van de naald te steken. 
  7. als achterzetsel: doorheen, van de ene kant naar de andere kant, aan de ene kant naar binnen en aan de andere kant naar buiten
    • De gang door. 
    Belangrijk: strikt gesproken moet zo'n achterzetsel grammaticaal worden opgevat als een bijwoord (1.)
  8. als achterzetsel: van het begin tot het einde, gedurende
    • Jantje heeft de hele dag door zitten zeuren. 
  9. door ... te + infinitief; de procedure die gevolgd wordt om het doel te bereiken
    • Je kunt de bus laten stoppen door op de knop te drukken. 
  10. de ene stof is door de andere gemengd
    • Er zat teveel peper door het eten. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
helemaal
  • De kogel door de kerk laten gaan
De beslissing nemen
  • De kogel is door de kerk
  • Door de bomen het bos niet meer zien
Door een overvloed aan informatie het overzicht verliezen
  • Door de mand vallen
Door bepaalde zaken die duidelijk worden en blijk geven de waarheid ander is dan gedacht
  • Door de mazen van het net kruipen
op slimme manier proberen ergens onder uit te komen
  • Door de neus boren
iemand anders iets de mogelijkheid ontnemen
  • Door de wol geverfd
  • Door de wol geverfd zijn
een deugniet zijn
  • Door de wol geverfd zijn.
zeer ervaren zijn
  • Door de zure appel heen bijten
beginnen met een lastig/vervelend karwei
  • Door dik en dun
  • Door dik en dun gaan
alles overhebben voor iemand
  • Door een hennepen venster moeten kijken
opgehangen worden
  • Door een ringetje halen (kunnen)
er goed verzorgd uit zien
  • Door het oog van de naald kruipen
ternauwernood aan gevaar ontsnappen
  • Door merg en been gaan
hartverscheurend zijn
  • Door roeien en ruiten gaan
  • Door schade en schande wordt men wijs.
een mens leert het beste van z'n fouten
  • Door vragen wordt men wijs.
Door het stellen van vragen kun je veel te weten komen en veel kennis opdoen
  • Een streep door de rekening halen
de schuld van iemand kwijtschelden en het er niet meer over hebben
  • Een streep door de rekening zijn
alles door de war halen
  • Er loopt een streep door
  • Ergens een streepje door lopen
erg vreemd zijn, zich abnormaal gedragen
  • Iemand door de mosterd halen
op duidelijke wijze te horen krijgen wat iemand fout gedaan heeft
iemand lang en streng ondervragen
  • Iemand iets door de neus boren
  • Iemands naam door de slijk halen
lelijke dingen over iemand vertellen
  • Iets door de vingers zien
doen alsof de fouten van een ander niet opgemerkt worden
  • Kruip-door-sluip-door
  • Met de hoed in de hand komt men door het ganse land.
iemand die vriendelijk is bereikt meer in het leven dan iemand die onaardig en onbeleefd is
  • Niet door de beugel kunnen
iets is verkeerd om te doen
  • Recht door zee gaan
altijd eerlijk zijn
  • Schitteren door afwezigheid
iedereen valt het op dat iemand afwezig is
  • Voor iemand door het vuur gaan
elkaar altijd helpen
Vertalingen

Bijwoord

  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     door  
 persoonlijk     erdoor  
aanwijz.   nabij     hierdoor  
  veraf     daardoor  
  vragend/betrekk.     waardoor  

door

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    doorrennen: Hij rende de gang door, en belandde in de keuken.
    doornemen: Ik neem de informatie door.
  2. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
    • Hij wordt er soms door in de war gebracht. 
enkelvoud meervoud
naamwoord door doren
verkleinwoord doortje doortjes

Zelfstandig naamwoord

door m

  1. dwaas [1]
  2. centrale deel van vogelei [2]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl


Engels

enkelvoud meervoud
door doors

Zelfstandig naamwoord

door

  1. deur
Hyponiemen


Wolof

Uitspraak

Werkwoord

door

  1. beginnen, starten