bijsturen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·stu·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bijsturen
stuurde bij
bijgestuurd
zwak -d volledig

Werkwoord

bijsturen

  1. inergatief een koerscorrectie uitvoeren
    • Er moest wat bijgestuurd worden toen bleek dat het doel niet gehaald zou worden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.