bijbehorend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·be·ho·rend
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen bijbehorend
verbogen bijbehorende

Bijvoeglijk naamwoord

bijbehorend

  1. deel uitmakend van één geheel

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.