bijkomen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·ko·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bijkomen
kwam bij
bijgekomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

bijkomen

  1. ergatief het bewustzijn herkrijgen
    • De patiënt kwam weer bij toen de narcose uitgewerkt raakte. 
  2. ergatief er, daar ~: in getal of hoeveelheid toenemen
    • Er is weer twee procent bijgekomen. 
  3. ergatief rusten na een inspannende bezigheid
    • Hij moest wel een week bijkomen na het rennen van de marathon. 
     Ik zal u nu alleen laten om u de gelegenheid te bieden bij te komen van uw reis en u te verschonen.[1]
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 17