bijleggen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bijleggen
legde bij
bijgelegd
zwak -d volledig

Werkwoord

bijleggen

  1. overgankelijk toevoegen, het ontbrekende bijbetalen
    • We moeten nog 20 euro bijleggen om de rekening te kunnen betalen. 
  2. overgankelijk meningsverschil of ruzie oplossen
    • Gelukkig hebben mijn zussen hun ruzie bijgelegd. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.