bijzit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·zit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bijzit bijzitten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bijzit v [3]

  1. een vrouw die met een man leeft, zonder met hem gehuwd te zijn
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bijzitten

bijzit

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bijzitten
    • ... dat ik bijzit. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bijzitten
    • ... dat jij bijzit. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bijzitten
    • ... dat hij bijzit. 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen