buurt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buurt
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘stadsdeel of deel van dorp’ voor het eerst aangetroffen in 1401 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord buurt buurten
verkleinwoord buurtje buurtjes

Zelfstandig naamwoord

buurt v/m

  1. een (deel van een) wijk
    • Deze buurt is zo'n honderd jaar geleden gebouwd. 
  2. de nabijheid
    • De bal is in de buurt van die auto gevallen. 
     Hij woont in de buurt, het is naar schatting de dertigste keer dat hij hier staat, met enerzijds het uitzicht op de beboste flanken van de Vogezen en aan de zuidwestkant het glooiende laagland van de Haute-Saône.[3]
Uitdrukkingen en gezegden
  • in de buurt blijven
niet ver weggaan
  • uit de buurt blijven
afstand bewaren
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Verwijzingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
buren

buurt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buren
    • Jij buurt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buren
    • Hij buurt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van buren
    • Buurt! 
vervoeging van
buurten

buurt

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van buurten
  2. gebiedende wijs van buurten