buurt

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buurt
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buurt buurten
verkleinwoord buurtje buurtjes

Zelfstandig naamwoord

buurt v/m

  1. een (deel van een) wijk
    • Deze buurt is zo'n honderd jaar geleden gebouwd. 
  2. de nabijheid
    • De bal is in de buurt van die auto gevallen. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • in de buurt blijven
niet ver weggaan
  • uit de buurt blijven
afstand bewaren
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Verwijzingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
buren

buurt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buren
    • Jij buurt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buren
    • Hij buurt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van buren
    • Buurt! 
vervoeging van
buurten

buurt

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van buurten
  2. gebiedende wijs van buurten