Naar inhoud springen

buurt

Uit WikiWoordenboek
  • buurt
  • In de betekenis van ‘stadsdeel of deel van dorp’ voor het eerst aangetroffen in 1401 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord buurt buurten
verkleinwoord buurtje buurtjes

de buurtv / m

  1. een (deel van een) wijk
    • Deze buurt is zo'n honderd jaar geleden gebouwd. 
  2. de nabijheid
    • De bal is in de buurt van die auto gevallen. 
     Hij woont in de buurt, het is naar schatting de dertigste keer dat hij hier staat, met enerzijds het uitzicht op de beboste flanken van de Vogezen en aan de zuidwestkant het glooiende laagland van de Haute-Saône.[3]
     Een dag later, lopend door een brede kloof, zag ik een rookpluim in de verte omhoog kringelen. Toen ik aankwam bij het vuurtje zag ik tot mijn verbazing twee paarden aan een lang touw grazen, met verder niemand in de buurt.[4]
  • in de buurt blijven
niet ver weggaan
  • uit de buurt blijven
afstand bewaren
vervoeging van
buren

buurt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buren
    • Jij buurt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buren
    • Hij buurt. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van buren
    • Buurt! 
vervoeging van
buurten

buurt

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van buurten
  2. gebiedende wijs van buurten
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]
  1. "buurt" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. buurt op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink Weblink bron
    Rob Gollin
    “De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht” (10 juli 2019), de Volkskrant
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be