buurt

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buurt
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buurt buurten
verkleinwoord buurtje buurtjes

Zelfstandig naamwoord

buurt v/m

  1. een (deel van een) wijk
    Deze buurt is zo'n honderd jaar geleden gebouwd.
  2. de nabijheid
    De bal is in de buurt van die auto gevallen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie