bijval

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·val
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘toejuiching’ voor het eerst aangetroffen in 1818 [1]
  • van het Duits [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bijval -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bijval m

  1. openlijk geuite instemming, applaus, steun
    • Hij kreeg direct bijval van medestudenten. 
    • De minister die veel kritiek kreeg was blij met elke bijval die hij ontving. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bijvallen

bijval

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bijvallen
    • ... dat ik bijval. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen