bijval

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·val
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Duits [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bijval -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bijval m

  1. openlijk geuite instemming, applaus, steun
    Hij kreeg direct bijval van medestudenten.
    De minister die veel kritiek kreeg was blij met elke bijval die hij ontving.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bijvallen

bijval

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bijvallen
    ... dat ik bijval.
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl