bijval

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·val
enkelvoud meervoud
naamwoord bijval -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bijval m

  1. openlijk geuite instemming.
    Hij kreeg direct bijval van medestudenten.

Werkwoord

vervoeging van
bijvallen

bijval

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bijvallen
    ... dat ik bijval.