bolwerken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bol·wer·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

bolwerken

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bolwerken
bolwerkte
gebolwerkt
zwak -t volledig
  1. (van een taak) kunnen uitvoeren
    • - Hij kon zijn werk door alle uitbreidingen niet meer bolwerken. 
    • - Kun je het allemaal nog wel bolwerken'? vroeg de man aan zijn overwerkte vrouw. 

Zelfstandig naamwoord

bolwerken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bolwerk

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.