afwerken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wer·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afwerken
werkte af
afgewerkt
zwak -t volledig

Werkwoord

afwerken

  1. (overgankelijk) de laatste en kleine details afmaken
    Die houten kast is erg netjes afgewerkt.
  2. volledig bezoeken, bespreken of behandelen
    Tijdens de culturele reis moesten alle kerken van Rome worden afgewerkt.
  3. voltooien
    Ik moet even deze order afwerken maar dan ben ik klaar.
Vertalingen