omwerken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·wer·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

omwerken

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omwerken
werkte om
omgewerkt
zwak -t volledig
  1. veranderen, bewerken
    • The Lion King wordt de volgende animatiehit die Disney mt behulp van veel computertrucage laat omwerken tot een min of meer ‘gewone film’. [1] 
    • Maar wacht eens, er zat toch helemaal geen contrabas in dat kwintet? Dat klopt. Sinfonietta heeft de oorspronkelijke partituur, met onderin twee celli, door Marijn van Prooijen laten omwerken tot een versie met contrabas. Dit vanuit de gedachte dat er in Schuberts tijd een superieure basvirtuoos rondliep, genaamd Domenico Dragonetti, en dat Sinfonietta-bassist Rick Stotijn al net zo'n fabelachtige speler is. [2] 
  2. omploegen, omspitten, ploegen van grond
    • Donderdag arriveerde een ploeg groenwerkers van het bedrijf Berkelgroen, die begon met het omwerken van de stroken grond. Daarna begonnen de medewerkers met het inplanten van enkele duizenden asters. Na enkele boze telefoontjes vanuit de straat naar de gemeente Berkelland haalden de Berkelgroen-medewerkers de asters weer uit de grond, stapelden de plantjes terug op de aanhanger en vertrokken. [3] 
  3. omdraaien zodanig dat wat onder was nu boven is
    • Wright: ‘Als de zeepieren in de natuur hun eetlust omlaagdraaien in dezelfde mate als in het lab, gaan ze heel wat minder sediment omwerken. In de Waddenzee bijvoorbeeld zou dat neerkomen op 130 kubieke meter bodem per jaar minder.’ Zeepieren verrichten onder de zeebodem en het strand dezelfde taak als regenwormen in drogere bodems: geregeld alles omwoelen en verluchten, en het organisch afval erin helpen verteren. Maar door het plasticgruis eten ze minder, blijven de korrels anderhalve maal langer in hun darmen en gaan die darmen ontsteken. Daarbovenop komen de gifstoffen die zich in hun lijf opstapelen. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. NRC Coen van Zwol 4 oktober 2016
  2. Volkskrant Frits van der Waa 18 november 2015
  3. Tubantia 08-03-2012
  4. de Standaard 03 DECEMBER 2013 Pieter Van Dooren
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be