verrichten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·rich·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘uitvoeren’ voor het eerst aangetroffen in 1329 [1]
  • afgeleid van richten met het voorvoegsel ver- [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verrichten
verrichtte
verricht
zwak -t volledig

Werkwoord

verrichten

  1. overgankelijk een prestatie leveren
    • Zij keerden na werk in het buurland verricht te hebben naar hun woonplaats terug. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen