werker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wer·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van werken met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord werker werkers
verkleinwoord werkertje werkertjes

Zelfstandig naamwoord

werker m

  1. iemand die werkt
  2. iets om op of mee te werken bijv. een hoogtewerker
    werker bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Synoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.