meewerken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·wer·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meewerken
werkte mee
meegewerkt
zwak -t volledig

Werkwoord

meewerken

  1. inergatief deelnemen aan een bepaald werk
    • Hij had daar niet aan meegewerkt. 
  2. inergatief geen weerstand bieden, gevolgzaam zijn
    • Je moet niet verwachten dat hij mee zal werken. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.