maken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: maken
Oudnederlands: makon
Germaans: *makōnan
Indo-Europees: *mag-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: make (Angelsaksisch: macian), Duits: machen, (Oudhoogduits: mahhōn), Fries: meitsje (Oudfries: makia)
Noord: Oudnoords: maka, Faeröers: maka
  • Andere Indo-Europese talen:
Frans: maquiller (Oudfrans: makier)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
maken
maakte
gemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

maken

  1. overgankelijk in elkaar zetten
    • Hij was een houten meubel aan het maken. 
  2. overgankelijk ervoor zorgen dat iets weer werkt
    • De jongen vroeg aan zijn vader of die zijn trein kon maken. 
  3. overgankelijk optellen tot een bepaald bedrag
    • Dat maakt dan zes euro en tien cent. 
  4. overgankelijk voortbrengen, tot stand brengen, in een toestand brengen
    • Deze band maakte muziek die miljoenen mensen vrolijk maakte. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.