maken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘iets in een bepaalde toestand brengen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: maken
Oudnederlands: makon
Germaans: *makōnan
Indo-Europees: *mag-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: make (Angelsaksisch: macian), Duits: machen, (Oudhoogduits: mahhōn), Fries: meitsje (Oudfries: makia)
Noord: Oudnoords: maka, Faeröers: maka
  • Andere Indo-Europese talen:
Frans: maquiller (Oudfrans: makier) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
maken
maakte
gemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

maken [3]

  1. overgankelijk in elkaar zetten
    • Hij was een houten meubel aan het maken. 
  2. overgankelijk ervoor zorgen dat iets weer werkt
    • De jongen vroeg aan zijn vader of die zijn trein kon maken. 
  3. overgankelijk optellen tot een bepaald bedrag
    • Dat maakt dan zes euro en tien cent. 
  4. overgankelijk voortbrengen, tot stand brengen, in een toestand brengen
    • Deze band maakte muziek die miljoenen mensen vrolijk maakte. 
     Ik was blij dat ik ook mijn ijsbijl bij me had waarmee ik me, indien nodig, kon zekeren en een nieuw spoor door de sneeuw kon maken.[4]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Spreekwoorden
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen


Achterhoeks

Werkwoord

maken

  1. maken


Middelnederduits

Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

maken

  1. maken
Uitdrukkingen en gezegden
Overerving en ontlening


Middelengels

Uitspraak
  • IPA: /maːkən/, /makən/
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Angelsaksische macian

Werkwoord

maken

  1. maken
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening


Middelnederlands

Uitspraak
  • IPA: /maːkən/
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Oudnederlandse macon

Werkwoord

maken

  1. maken
Schrijfwijzen
Overerving en ontlening

Verwijzingen


Nedersaksisch

Uitspraak
  • IPA: /mɑːkn̩/
Woordafbreking
  • ma‧ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Middelnederduitse maken

Werkwoord

maken

  1. maken
Schrijfwijzen
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Sallands

Werkwoord

maken

  1. maken
Schrijfwijzen


Twents

Werkwoord

maken

  1. maken


Veluws

Werkwoord

maken

  1. maken


Westfaals

Werkwoord

maken

  1. (Münsterlands) (Zuidwestfaals) maken
Synoniemen